Interview met Ole van der Straaten over zijn tijd op de Filipijnen.

Begin 1990 was Ole van der Straaten twee jaar General Manager geweest van Elida Gibbs, Unilever’s toiletartikelenbedrijf in Nederland, hij had het opgericht, nu stond het als een huis en dacht hij bij zichzelf: als ik nu niet naar het buitenland ga, dan krijg ik mijn jonge gezin nooit meer mee.

Dus toen heb ik de “Powers” binnen Unilever laten weten dat ik graag in aanmerking zou komen voor een nieuwe uitdaging in de Verenigde Staten, dat leek me een prachtland om een tijdje te mogen werken. Nog geen maand hierna werd ik opgetrommeld om naar Londen te komen en daar zeiden ze me: wat denk je van de Filipijnen, dat is de Wild West van de Far East! Het kostte me toen ongeveer tien seconden om na te denken en toen zei ik volmondig ja, kom maar op.

Hoe was je eerste ervaring?

Ik landde op 16 juli 1990. Die datum herinner ik me nog goed omdat toen ik aankwam in de luchthaven van Manilla er iets vreemds gebeurde. Ik had me aangemeld bij de luchthavenbalie van het Manila Hotel waar ik zou logeren totdat ik een huurhuis zou vinden. Terwijl ik op mijn taxi wachtte, pakte de kruier opeens mijn koffer en zette het op een rennen. Hoewel ik nog wat versuft was van 16 uur vliegen inclusief overstaptijd in Hong Kong, sprintte ik achter hem aan, haalde ik hem in, pakte ik hem bij de arm en riep ik: what are you doing, this is my suitcase! Waarop de man beleefd antwoordde: excuse me sir, but there is an earthquake and I am escorting you out of the airport building. Buitengekomen zag ik met eigen ogen hoe de betonnen constructie van de luchthavengebouwen als kauwgom heen en weer slingerde en hoe verschrikt iedereen reageerde. Ik voelde me op slag nederig. Hoewel deze aardbeving in het hele land verschrikkelijke sporen heeft nagelaten, vormt ze voor mij de wake up call voor 5 fantastische jaren.

Wil je de meest significante gebeurtenissen in die 5 jaar met me delen?

Het eerste dat me te binnen schiet is dat het land veel te verduren krijgt. Jaarlijks wordt het standaard geteisterd door typhonen, een soort van tornado’s die hele bossen en dorpen wegvagen. In mijn tijd beleefde ik bovendien de net genoemde aardbeving en toen brak een paar jaar later ook nog de slapende vulkaan Pinatubo uit waardoor een halve provincie onder de modder kwam te zitten. Wat ik zo bijzonder vind is dat de Filipino’s steevast dapper en positief omgaan met dit leed.

Het tweede dat ik interessant vind om te vertellen is een zakelijke ervaring. In de Filipijnen heb ik niet geleerd om Filipijns te spreken maar beperkte ik mij, net als alle andere buitenlanders, tot de Engelse voertaal. In 1993 ving ik tijdens een bedrijfssamenkomst de term cuatro cuatro op. Toen ik navraag deed bij mijn lokale personeelsdirecteur, antwoordde hij dat dit niks betekende. Dit geloofde ik niet, en toen ik doorvroeg, nam hij me apart en vertrouwde hij me toe dat de fabriek van 1.000 man sinds jaar en dag een cuatro cuatro beleid kende: omdat het loon zo laag was, klusten alle werknemers bij met overtijd en om 2 shifts van 8 uur vol te houden was het gebruik om tijdens de tweede shift 4 uur te slapen en 4 uur te werken – de ene helft van de nachtshift sliep tijdens de eerste 4 uur, de tweede helft tijdens de tweede 4 uur. Expat managers waren hier nog niet eerder van op de hoogte geweest of hadden het genegeerd maar alle Filipino medewerkers, inclusief de top executives, kenden en accepteerden cuatro cuatro.

Tja, wat moest ik doen? Het erbij laten zitten? Of ingrijpen? Maar hoe moest ik dan omgaan met het loon van de medewerkers? Dit was kennelijk zonder overtijd niet afdoende.

De volgende avond, het was een woensdag, ben ik om 11 uur s’avonds naar de fabriek gereden en vroeg ik mijn chauffeur om een nooit gebruikte zijingang te nemen die pal naast de fabriek lag. Zo kon ik met eigen ogen zien hoe er werkelijk tientallen slapende werknemers door de fabriekshal heen lagen. Ik maakte toen een ronde langs alle slapers, wekte hen vriendelijk en deelde na afloop aan de verantwoordelijke manager (bij wie het schaamrood op de kaken stond) dat ik alle technische managers en supervisors (een man of 25) plus de aan de fabriek verbonden vakbondsleiding de volgende ochtend om 7.30 uur op mijn kantoor wilde zien.

Die volgende morgen trof ik bij aankomst in mijn kantoor een groep mannen aan bij wie de angst bijna aanraakbaar was. Ik heb ze toen het volgende gezegd: cuatro cuatro is vanaf nu verleden tijd; overtijd wordt teruggebracht naar wat nodig is; het loon van de medewerkers wordt naar boven aangepast naarmate de productiviteit stijgt; ik ga nu met de vakbondsleiding onderhandelen over een tussentijdse stijging van het loon per vandaag; en nu aan het werk jullie allemaal. Ik maakte binnen een week een deal met de vakbond (elke fabriek had z’n eigen vakbond in deze jaren) waarna de stiekeme, financieel fnuikende verslaving aan overtijd in een vloeiende beweging plaats maakte voor een openlijk beleden, winstgevende honger naar productiviteit.

Pas veel later, jaren nadat ik had plaatsgemaakt voor mijn vele opvolgers, heb ik van collega’s uit mijn tijd begrepen dat voor zover men nog terugdenkt aan mijn tijd als CEO dit toch vooral met het bovenstaande verhaal te maken heeft…